Persoonsdossier · Brugge en Sijsele · 1505–1534
Franchois van Landschoot
Mutsereerder, poorter en voogd te Brugge, geboren omstreeks 1475 en overleden vóór 1534. Zijn levensloop komt stukje bij beetje tevoorschijn in weesakten, ambachtsregisters en gerechtelijke dossiers.
Franchois van Landschoot, zoon van Jan, verliet vermoedelijk zijn geboortestreek Maldegem om zich in Brugge te vestigen. Daar bouwde hij een bestaan op als mutsereerder. Hij werd poorter, nam deel aan het ambachtsleven en trad meermaals op als voogd over minderjarige kinderen. Zijn dossier toont het dagelijkse leven van een ambachtsman in het Brugge van het begin van de zestiende eeuw.
Opmerking over de identificatie
De bronnen noemen Franchois in verschillende schrijfwijzen, onder meer van Landschoot, van Landschoot en van Lantschot. De verbinding tussen de voogd uit 1505 en de Brugse mutsereerder past bij naam, patroniem en tijdsperiode. Zolang geen akte beide rollen uitdrukkelijk met elkaar verbindt, blijft het verstandig deze identificatie als zeer aannemelijk, maar niet als volledig bewezen te beschouwen.
Levensloop in het kort
Vermoedelijke geboorte in Maldegem als zoon van Jan van Landschoot.
Inschrijving als leerling binnen het Brugse mutsenambacht.
Vermelding in het register van de mudshalle en jaarlijkse betaling aan het ambacht.
Voogd van Aernekin en Hannekin, kinderen van Jan van Landschoot.
Met Chaerles Fermier aangesteld als voogd van drie kinderen Colaert.
Genoemd in een Antwerpse getuigenis over een betwiste betaling in bonnetten.
Verweerder in een burgerlijke geldzaak voor de Vierschaar van Brugge, voortvloeiend uit een vordering van 18 september 1527.
Overleden; vanaf 1534 neemt zijn weduwe de ambachtsbetaling over.
Zijn weduwe krijgt wegens armoede vrijstelling van betaling.
Een mutsereerder in Brugge
Franchois werd opgeleid tot mutsereerder, een gespecialiseerd ambachtsman die bonnetten of zachte, nauw rond het hoofd sluitende mutsen vervaardigde en afwerkte. Het ambacht was in laatmiddeleeuws Brugge belangrijk en exportgericht. Brugse bonnetten vonden afnemers in onder meer Spanje, Frankrijk en Italië.
Zijn toetreding tot het ambacht kan tussen 2 september 1498 en 2 september 1499 worden geplaatst. Op 2 september 1501 werd een nieuwe ordonnantie uitgevaardigd. Nieuwe leden moesten voortaan twee pond groten inschrijfgeld betalen. Franchois staat als poorter-leerling vermeld met een betaling van 6 schellingen en 8 denieren.
Vanaf 1501 verschijnt hij in het register van de mudshalle als opvolger van Jacop Wanken binnen een rotatiesysteem. Jaarlijks betaalde hij 10 schellingen groten aan het ambacht. In 1534 wordt die betaling voor het eerst door zijn weduwe verricht. Dat vormt een sterke aanwijzing dat Franchois toen reeds was overleden. Vier jaar later kreeg zij wegens armoede vrijstelling.
Beroep
Mutsereerder of bonnetmaker: vervaardiger en afwerker van wollen of vilten hoofddeksels.
Economische positie
Een zelfstandig stedelijk ambachtsman, maar vermoedelijk zonder groot vermogen.
Ambachtsbijdrage
Vanaf 1501 jaarlijks 10 schellingen groten.
Laatste aanwijzing
Zijn weduwe neemt in 1534 de betaling over en krijgt in 1538 vrijstelling.
De weesakte van 4 april 1505
Op 4 april 1505 verschenen Ghisebrecht Diserins en Franchois, zoon van Jan van Landschoot, als voogden voor de administratie van de heerlijkheden Sijsele, Oedelem en Praet. Zij brachten het goed van Aernekin en Hannekin, kinderen van Jan van Landschoot, over in het wezenboek.
Het kinderlijk goed werd gewaardeerd op 12 schellingen groot. Het wezenboek legde vast wat minderjarige kinderen toekwam en wie voor het beheer daarvan verantwoordelijk was. Zo kon het vermogen later door de voogden worden verantwoord.
De akte vermeldt eveneens Arnoudt, zoon van Jan Belle, die reeds vele jaren buiten het land verbleef. Het beschadigde of moeilijk leesbare slot lijkt te bepalen dat hij met het bedrag verbonden bleef. De precieze juridische verhouding kan zonder een volledig zekere lezing van het origineel niet definitief worden vastgesteld.
Genealogisch belang
De akte noemt Franchois uitdrukkelijk als zoon van Jan van Landschoot. Daarnaast worden Aernekin en Hannekin als kinderen van een Jan van Landschoot vermeld. De tekst bewijst echter niet vanzelf dat deze Jan noodzakelijk dezelfde persoon is als de vader van Franchois; de verwantschap tussen Franchois en de twee wezen moet daarom nog nader worden bepaald.
Opnieuw voogd in 1521
Op 5 augustus 1521 werd Franchois aangesteld als voogd over Reygnier, Jorynken en Callekin Colaert. Zij waren de kinderen van Colaert De Clocke en diens overleden echtgenote Margriete Hemercx, ook als Hendricx geschreven.
Franchois verving Benedict De Pellerino en oefende de voogdij uit samen met Chaerles Fermier, een baardemaker. De benoeming gebeurde formeel voor de Brugse schepenbank, in aanwezigheid van Jan Hiens, Arnoudt Woestijne en Ghysele. Dat Franchois voor een tweede maal als voogd voorkomt, wijst op het vertrouwen dat hij binnen zijn familie- en beroepsomgeving genoot.
Handel en rechtszaken
Een betwiste betaling in bonnetten — 1524
Een Antwerpse getuigenis van 11 augustus 1524 biedt een zeldzame blik op de handel in bonnetten. Vincente de Blauwe, zelf bonnetmaker in Brugge, legde onder eed een verklaring af in een geschil met Merten Mertens, een bonnetverkoper op de markt.
Mertens beweerde voor 3 pond en 5 stuivers aan bonnetten te hebben ontvangen van Franchoys van Lantschot. Hij zou tevens een obligatie van 6 stuivers aan Vincente hebben overgedragen, waarna nog 16 stuivers verschuldigd bleven. Vincente ontkende echter dat hij drie pond van Mertens had ontvangen of met een betaling in bonnetten had ingestemd.
De verklaring toont hoe ambachtslieden, handelaars en marktverkopers onderling leverden, krediet verleenden en schuldbrieven overdroegen. Goederen konden deel uitmaken van de verrekening, maar juist daardoor ontstonden soms discussies over wat werkelijk was geleverd of betaald.
Burgerlijke geldzaak voor de Brugse Vierschaar — 17 mei 1529
In een akte, opgemaakt op 17 mei 1529, wordt Franchois als verweerder genoemd in een zaak aangespannen door Vincent de Blune. Het geschil vloeide voort uit een vordering die Franchois op 18 september 1527 tegen De Blune had ingesteld. Het ging oorspronkelijk om een schuld van 3 pond groten Vlaams, waarvan volgens de eiser nog 2 pond onbetaald was. De Blune legde een schriftelijke akte voor, maar stelde dat hij de uitvoering daarvan niet kon verkrijgen omdat Franchois niet meer verscheen en geen procureur had aangesteld.
Omdat Franchois verstek liet gaan, werd de akte als uitvoerbare titel erkend. Daardoor kon zij volgens het Brugse gewoonterecht op zijn persoon en goederen worden uitgevoerd.
Verloop van de procedure
De twee data horen bij verschillende fasen van de zaak. De oorspronkelijke vordering dateerde van 18 september 1527. De hier besproken akte werd later, op 17 mei 1529, opgemaakt. Daarmee is de chronologische volgorde duidelijk.
De Sint-Franciscusgilde
De Brugse mutsenmakers en mutsensnijders waren verenigd in de Sint-Franciscusgilde. Zij kwamen samen in de Sint-Jacobskerk bij het altaar van Colaert d’Ault de Oude. In 1512 worden verschillende dekens en bestuurders van de gilde genoemd. Franchois staat niet in die bestuurderslijst, maar was in dezelfde periode wel als mutsereerder in Brugge actief.
Op 19 september 1517 sloot de gilde een overeenkomst met schilder Aelbrecht Cornelis. Voor 30 pond groten zou hij de panelen en deuren van het altaar beschilderen met de kroning van Maria en de negen engelenkoren. Het werk, waarvan twee luiken verloren zijn gegaan, bevindt zich nog steeds in de kapel van Onze-Lieve-Vrouw der Engelen in de Brugse Sint-Jacobskerk.
Lees meer over de voorstelling van de negen engelenkoren
Rond Maria en de goddelijke troon werden de negen engelenkoren voorgesteld: serafijnen, cherubijnen, tronen, heerschappijen, krachten, machten, vorstendommen, aartsengelen en engelen. Sint-Michiel staat vooraan in het midden, geharnast en met een kruisvaandel. Aelbrecht Cornelis beeldde zichzelf af bij het “Boek des Levens”.
Het kunstwerk laat zien dat het mutsenambacht niet alleen een economische vereniging was. De gilde vormde ook een religieuze gemeenschap die een eigen altaar onderhield en opdrachten aan kunstenaars verleende.
De latere neergang van het ambacht
Het mutsenambacht was al in 1460 met productieproblemen geconfronteerd. De textielververs mochten slechts tweemaal per week verven, waardoor zij niet altijd aan de vraag konden voldoen. Het Brugse stadsbestuur stond daarom toe dat de mutsereerders hun producten ook buiten de stad lieten verven.
Na de bloeitijd rond 1500 ging het ambacht geleidelijk achteruit. De godsdienstige onrust, plunderingen en Beeldenstorm van de latere zestiende eeuw versnelden die ontwikkeling. Deze gebeurtenissen vonden pas tientallen jaren na Franchois’ overlijden plaats en verklaren dus vooral de verdere neergang van zijn vroegere beroepsgroep. Volgens de negentiende-eeuwse beschrijving bleef uiteindelijk nog slechts één mutsereerder in Brugge over; anderen weken uit naar Holland en Frankrijk.
Een ambachtsman zichtbaar in de bronnen
Franchois van Landschoot behoorde niet tot de hoogste stedelijke elite. Juist daarom is zijn dossier bijzonder. Ambachtsregisters tonen hoe hij zijn beroep uitoefende en jaarlijks zijn bijdrage betaalde. De weesakten tonen hem als een man aan wie het beheer van kinderlijk bezit werd toevertrouwd. De rechtszaken laten vervolgens de minder fraaie, maar zeer menselijke kant van het economische leven zien: krediet, betwiste leveringen, achterstallige bedragen en procesvoering.
Samen geven deze losse vermeldingen een opmerkelijk volledig beeld van een Brugse ambachtsman uit het begin van de zestiende eeuw. Zijn naam bleef niet bewaard door één grote gebeurtenis, maar door de vele kleine verplichtingen waaruit een stedelijk leven bestond.
Bronnen en literatuur
- Rijksarchief Brugge, heerlijkheden Sijsele, Oedelem en Praet, register 213, folio 15v, 4 april 1505.
- Stadsarchief Brugge, Archiefbank, Civiele Sententiën, Vierschaar 157 (1528–1534), afbeelding 120.
- Stadsarchief Antwerpen, Schepenregisters, SAA SR-166-407 V-0-1524, 11 augustus 1524.
- Jean Jacques Gailliard, De ambachten en neringen van Brugge, deel 1, 1854, p. 170.
- Rond den Heerd, 1867, p. 276.
English
Español
Français