Van Landschoot

800 jaar familiegeschiedenis

Maeykin Landsocht en de hofstede de Legghe

Op 9 december 1606 verscheen Maeykin, dochter van Jan Landsucht of Jan Landsocht, voor de schepenen van het Brugse Vrije. Zij was een ongehuwde vrouw van meer dan vijfentwintig jaar, juridisch bekwaam om zelf te handelen, en droeg erfelijk land over aan Maertin Casier, vrijlaat binnen het ambacht van Straeten. De akte is belangrijk omdat zij opnieuw een naamvorm Landsucht/Landsocht verbindt met bezit in de omgeving van Sint-Andries, dicht bij Brugge.

Kern van de akte

De akte betreft een overdracht van ongeveer 20 gemeten land. Dit land vormde een deel van een grotere hofstede van ongeveer 55 gemeten, gelegen in het ambacht van Straeten en in de parochie van Sint-Andries. De hofstede wordt genoemd als de Legghe en lag ten zuidwesten van de kerk, tussen de dreef van het klooster van Sint-Andries en land van datzelfde klooster.

Maeykin had dit land verkregen door successie en versterf na het overlijden van haar vader Jan Landsocht. Daardoor is deze akte genealogisch bijzonder waardevol: zij noemt Maeykin rechtstreeks als dochter van Jan en toont tegelijk dat zij erfelijk gerechtigd was in grondbezit nabij Brugge. RAB TBO 144 Blauw Nr 3744

Oorspronkelijke tekst

Overdracht van land in de hofstede de Legghe

Datum: 9 december 1606 · Schepenen van het Brugse Vrije · Ambacht van Straeten · Parochie Sint-Andries

Wij Lucas Wijnghaert ende Fransois de Wilde, scepenen slandts vanden Vrijen, doen te weten allen den ghonnen die desen chaertre zullen zien ofte hooren lesen, dat quam voor scepenen Maeckin, de dochtere van Jan Landsucht, jonghe dochtere, haer zelfs zijnde midts haere competentie ende behoorlicke oude van bit van vijfventwintich jaeren, vrijlatesse binden ambochte van Straeten.

Als gherecht en erfachtigh in ’t naervolgende landt ten tijtle van successie ende versterfvenesse, ’t voornoemde Maecken ghesuccedeert ende verstorfven by der doodt ende overlydene van de voornoomden haeren vadere, met welcken tijtle van erfachtichede de naervolghende cooper ende acceptant hem te breden hout.

Ghaf halm ende ghifte Maertin Casier, vrijlaet binder voornoomden ambochte van Straeten, naerden dat hij hierin alvooren bij solempneelen eede te dien hooghelicken ghestaest zijnde vervanghen hadde dat hij zelve ghifte ontfanghen zoude ende wilde op de conditie hiernaervolghende, ende dat tot zijnen behoufve ende prouffijcte als daertoe capable naerde cueren ende statueten van de voornoomden lande van de Vrijen.

Ofte vuijt crachte zelve ghifte tnaervolghende landt bij hem of zijn hoijrs ende naercommers te moghen ghebruucken ofte verponden t’zijnen ende van zijne hoirs ende naerwaers behoufve ende proffijcte ende nyemandt anders met capable.

Van twintich ghemeten lants of daerontrent, zynde deel van en hofstede tsamen groot vijfvenvischtigh ghemeten lants, ghemeene metten coopere die de reste toehoort, ligghende ende staende binden voornoomden ambochte van Straeten ende in de prochie van Sinte Andries, al teenen stucke.

De hofstede ghenaempt de Legghe, vuijt met al datter op erde op ende vrij staet, zuutweest van der kercke, tusschen de dreve vanden cloostere van Sint Andries ande oostzyde an deen zyde, ’t landt van den zelven cloostere ande westzijde van d’ander zijde.

Belast met zijn advenant van vyf ponden grooten tsjaers losrente, den penninck achtiene, diemen ghelt aen d’heer Gatoine Coolbrant. Ende noch met zyn advenant van achtien scelling vier penn grooten t’siaers erfvelicke rente, diemen ghelt ’t voornoomde cloostere van Sinte Andries, zonder meer.

Ende ’t voornoemde Maeykin, de dochtere van Jan Landsocht, wedde ende beloofde, wedt ende belooft, desen den voornoomden Martin Casier ’t voornoomde landt ligghende ghelijck ende inder manieren dat voorschot, te weten te warenene ende garranderene wech ende lant wijlant huijcte metten voorseijde laste jaerlicx daer vuter gaende.

’t Zelfs Maertin Casier ende van zijn hoirs ende naercommers t’zijnen vry ghaente jeghens elcken meersche. Behoudens ende wel verstaende de selve landt ende de bedeghen van diere tailabla weerden ende blijfve zullen ghelyck alle andere landt een vrylaten vande hou ende sy zo wethanden dat ’t zelve landt naer mals commen ende verander mach, al zonder fraulde noch offe last.

In kennessen der waerheden ze hebben wij scepenen boven ghenompt desen chaertre ghedaen zeghelen met onse zeghelen hier vuithanghende. Dit was aldus ghedaen op den neghesten dach van decembre int jaer ons Heeren alsmen schreef duust zes hondert ende zesse.

Bron:
RAB - TBO-144-Blauw-Nr-3744
Akte van 9 december 1606, verleden voor Lucas Wijnghaert en Fransois de Wilde, schepenen van het land van het Brugse Vrije.
Betreft de overdracht door Maeykin, dochter van Jan Landsucht/Landsocht, van ongeveer 20 gemeten land in de hofstede de Legghe, gelegen in het ambacht van Straeten en de parochie Sint-Andries, aan Maertin Casier.

Hedendaagse hertaling

Wij, Lucas Wijnghaert en Fransois de Wilde, schepenen van het land van het Brugse Vrije, maken bekend aan allen die deze oorkonde zullen zien of horen voorlezen, dat voor ons is verschenen: Maeykin, dochter van Jan Landsucht.

Zij was een ongehuwde vrouw, maar trad zelfstandig op omdat zij daarvoor wettelijk bekwaam was. Zij had de vereiste leeftijd van meer dan vijfentwintig jaar bereikt en was vrijlaatster binnen het ambacht van Straeten.

Maeykin verklaarde dat zij erfelijk gerechtigd was in het hierna beschreven land. Zij had dit goed verkregen door successie en versterf, namelijk door het overlijden van haar vader Jan Landsocht. Op basis van dat erfelijke recht droeg zij het land over aan de koper en aanvaarder Maertin Casier.

Maertin Casier was vrijlaat binnen hetzelfde ambacht van Straeten. Nadat hij eerst plechtig had gezworen dat hij deze gift of overdracht wilde ontvangen onder de hierna genoemde voorwaarden, werd het goed aan hem gegeven ten voordele van hemzelf en zijn erfgenamen, volgens de keuren en statuten van het Brugse Vrije.

Het ging om ongeveer 20 gemeten land, deel van een grotere hofstede van ongeveer 55 gemeten. De hofstede lag in het ambacht van Straeten en in de parochie van Sint-Andries. Zij werd genoemd de Legghe en lag ten zuidwesten van de kerk, tussen de dreef van het klooster van Sint-Andries en land dat eveneens aan dat klooster toebehoorde.

Op het land rustten twee lasten. Ten eerste was er een jaarlijkse losrente van 5 pond groten, tegen penning 18, te betalen aan heer Gatoine Coolbrant. Ten tweede was er een jaarlijkse erfelijke rente van 18 schellingen en 4 penningen groten, verschuldigd aan het klooster van Sint-Andries.

Maeykin, dochter van Jan Landsocht, beloofde aan Maertin Casier dat zij het genoemde land, met de beschreven ligging en lasten, zou vrijwaren en waarborgen. Zij garandeerde dat Maertin Casier en zijn erfgenamen het goed vrij zouden kunnen gebruiken, zonder aanspraken van anderen, behoudens de vermelde jaarlijkse lasten en de gewone rechten die op vrijlatenland rustten.

De schepenen bevestigden de waarheid van deze verklaring en lieten de oorkonde bezegelen met hun zegels. De akte werd verleden op 9 december 1606.

Genealogisch belang

Voor de familiegeschiedenis is vooral deze formulering belangrijk:

Maeykin de dochtere van Jan Landsucht … ghesuccedeert ende verstorfven by der doodt ende overlydene van de voornoomden haeren vadere.

Hieruit blijkt dat Maeykin een dochter was van Jan Landsucht/Landsocht en dat zij van hem had geërfd. De akte is dus niet alleen een grondtransactie, maar ook een duidelijke filiatiebron. Ze bevestigt een vader-dochterrelatie binnen de Landsocht/Landsoght-tak.

De naamvorm is bovendien dubbel interessant. In het begin van de akte wordt haar vader geschreven als Jan Landsucht, later in dezelfde tekst als Jan Landsocht. Dat toont opnieuw hoe de spelling rond 1600 nog niet vastlag en hoe de vormen Landsucht, Landsocht en Landsoght dicht bij elkaar lagen.

Plaats en goed: de Legghe te Sint-Andries

De hofstede de Legghe lag in de parochie Sint-Andries, binnen het ambacht van Straeten. De beschrijving plaatst het goed ten zuidwesten van de kerk, tussen de dreef van het klooster van Sint-Andries en land van datzelfde klooster.

Het overgedragen deel bedroeg ongeveer 20 gemeten. Het maakte deel uit van een grotere hofstede van ongeveer 55 gemeten. De koper, Maertin Casier, bezat blijkbaar de rest van de hofstede al, want de tekst vermeldt dat het goed gemeenschappelijk lag met de koper, die de reste toehoort.

Begrippen in de akte

Term Betekenis In deze akte
Vrijlaat / vrijlatesse Persoon met een specifieke rechtspositie binnen het Brugse Vrije. Maeykin is vrijlaatster; Maertin Casier is vrijlaat in het ambacht van Straeten.
Successie en versterf Erfrechtelijke overgang van goederen na overlijden. Maeykin erfde het land na de dood van haar vader Jan Landsocht.
Ghaf halm ende ghifte Formule voor overdracht of schenking van erfelijk goed. Maeykin draagt het land over aan Maertin Casier.
Gemeten Oude oppervlaktemaat voor land. Het overgedragen deel bedraagt ongeveer 20 gemeten.
Losrente Rente die in principe kon worden afgekocht of gelost. 5 pond groten per jaar, penning 18, verschuldigd aan heer Gatoine Coolbrant.
Erfelijke rente Blijvende jaarlijkse last op een goed. 18 schellingen en 4 penningen groten per jaar aan het klooster van Sint-Andries.
Warenen en garranderen Waarborgen en vrijwaren tegen aanspraken van derden. Maeykin belooft het goed aan Maertin Casier te waarborgen.

Onderzoeksnota

Deze akte verdient een plaats binnen de bredere pagina over de Brugse Landsoght-tak. Zij toont dat er rond 1606 nog erfgenamen van Jan Landsocht in de omgeving van Brugge voorkomen. De vermelding van Maeykin als ongehuwde dochter van meer dan vijfentwintig jaar kan helpen om haar geboorte voorlopig vóór 1581 te plaatsen.

Omdat de akte spreekt over land dat haar door de dood van haar vader was toegekomen, moet Jan Landsocht vóór 9 december 1606 overleden zijn. De akte kan dus dienen als vaste terminus ante quem voor het overlijden van Jan.