Pieter van Landschoot
Staat van Pierkin en Copkin, de twee kinderen van Pieter van Landschoot en Lijsbette, dochter van Jan De Muncq, met goederen van vaderszijde, moederlijke goederen uit de familie De Munck en verschillende renten — Eeklo, 4 oktober 1607.
Dossier Pieter van Landschoot
Deze akte betreft de twee kinderen van Pieter van Landschoot, namelijk Pierkin en Copkin, geboren uit zijn huwelijk met Lijsbette, dochter van Jan De Muncq. Als voogden treden op Cornelius Roelof en Jan Blondeel. De bron is bijzonder rijk omdat zij het bezit van de wezen uitdrukkelijk opsplitst in goederen van vaderszijde, goederen van moederszijde en daarnaast ook een afzonderlijke rubriek bevat van renten die aan deze wezen competeren.
Belangrijke akte met omvangrijke moederlijke erfenis
Deze bron is van groot belang omdat zij niet alleen meerdere goederen van de familie Van Landschoot in Eeklo, Raverschoot en Adegem laat zien, maar vooral ook een zeer uitgebreide erfenis uit de familie De Munck documenteert. Daardoor wordt deze akte tegelijk een topografische, economische en genealogische sleutelbron.
Op vier oktober zestienhonderd zeven wordt de staat van goed overgebracht van Pierkin en Copkin, de twee kinderen van Pieter van Landschoot en Lijsbette De Munck. Hun voogden zijn Cornelius Roelof en Jan Blondeel. De tekst maakt een duidelijk onderscheid tussen de goederen die de kinderen ontvangen uit het overlijden van hun vader en deze die hun toekomen uit het overlijden van hun moeder.
Wat het erfdeel van vaderskant betreft, begint de akte met een partij van drie gemeten land binnen Eeklo, gelegen in den Broucq en genaamd het Wyngaertstick, langs de Gentse Lieve. Daarna volgt het helft van drie gemeten in een stuk genaamd Volckaertsbilck, eveneens binnen de heerlijkheid van Eeklo.
Verder bezitten de wezen nog één gemet land bij Raverschoot, gemeen met de erfgenamen van Adrianeken Van Lanschoot, dochter van Symoen, verdeeld in verschillende partijen. Daarnaast hebben zij de vijf delen van acht in een verbrande hofstede te Raverschoot bij de brug, afkomstig van Laureijns Van Landschoot, groot in erfve omtrent één gemet.
Ook in Adegem bezitten zij een partij land, genaamd Hemerijck, groot vijfhonderd roeden, gelegen ten zuiden van de kerk. Verder hebben zij nog één gemet land in een partij van anderhalf gemet, genaamd De Houwe, gemeen met Neelke Swinteert, en tenslotte ook drie delen in een hofstede bij de brug te Raverschoot, waar Pieter Swinheerl uit verstorven was, groot omtrent twee lijnen.
Bijzonder is ook dat de akte vermeldt hoe de wezen nog een partij van drie en een half gemet land in den Brouck verkrijgen bij koop van Jan Dysserinck. Daarmee bevat deze staat niet alleen verstorven goed, maar ook een recht dat reeds door aankoop in het familiebezit was gekomen.
Daarna volgt een afzonderlijke rubriek van de goederen van moederskant, uit de familie De Munck. Bij het overlijden van hun moeder verkrijgen de kinderen eerst een partij land van omtrent zes gemeten op Oostveld, met begrenzingen bij Onze-Lieve-Vrouw van Waarschoot, het Helshaegken en het Veldeken.
Vervolgens erven zij de helftschede van een hofstede waar wijlen Jan De Munck en Tanneken, zijn huisvrouw, uit verstorven zijn, in het geheel groot omtrent tweeëndertig gemeten, belast met een jaarlijkse rente van drie ponden vijftien schellingen groten, te betalen aan Davidt De Vos met consoorten. Deze helft blijft gemeen met de wezen van Clement De Pau.
Daarenboven bezitten zij nog de helft van een pachtgoed van twintig gemeten binnen de prochie van Lembeke, afkomstig van wijlen Gheleijn de Coorebijter, en verder ook een aandeel in vijftien gemeten binnen een hofstede van zestig gemeten genaamd de Notelaere, gelegen op de Oostveldstraat. Van dit laatste goed hebben deze wezen volgens de akte een part van zeven gemeten en een half.
Ook een kleiner partijken land bij de Oostmeuleval binnen de ceure van Eeklo behoort tot de moederlijke erfenis, evenals het vierde deel van twee meersen Boombusch, groot samen vierhonderd roeden, met het zuideinde aan de Lievelijn. Ook hier blijkt weer hoe het bezit verdeeld is tussen meerdere erfgenamen, waaronder Cornelius Roelof, de wezen Clement De Pau en Jan Blondeel.
Ten slotte vermeldt de akte nog een afzonderlijke rubriek van de renten die aan de voornoemde wezen competeren. Eerst is er een rente van twintig schellingen groten ’s jaars, ten laste van Pieter Poppe, verzekerd op een perceel van twaalf gemeten te Lembeke, genaamd de Baghijne Bilckschen. De tekst legt uit dat deze rente de wezen werd bijgelegd over hun moeders huwelijkgoed, aangezien zij bij haar huwelijk niet zo ruim bedeeld was geworden als haar andere zusters.
Daarnaast bezitten zij nog een tweede rente van twintig schellingen groten ’s jaars, ten laste van Maerten Speeckaert, bezet op zes gemeten land te Bassevelde in de Vroeghouck. Verder hebben zij ook de helft van een rente van drie penningen groten ten laste van Jan Speeckaert, zoon van Clais, bezet op een hofstede van omtrent acht gemeten op de heerlijkheid van Aveschoot, en nog de helft van zes penningen groten ’s jaars ten laste van de Vier Leden van het land van Vlaanderen.
De staat wordt uiteindelijk overgebracht door Cornelius Roelof en Jan Blondeel, precies op de datum van 4 oktober 1607. Daardoor is dit stuk niet alleen een nauwkeurige inventaris van onroerende goederen en renten, maar tegelijk ook een waardevolle momentopname van het netwerk van verwantschap en bezit waarin de families Van Landschoot, De Munck en De Pau met elkaar verweven waren.
Historische duiding
Deze akte is uitzonderlijk rijk omdat zij niet alleen verschillende percelen land en hofsteden opsomt, maar tegelijk een helder onderscheid maakt tussen het bezit van vaderszijde, het veel omvangrijkere bezit van moederszijde en de afzonderlijke renten die aan de wezen toekomen. Voor de familiegeschiedenis is dat van bijzonder belang, omdat binnen één dossier meerdere verwantschapslijnen samen zichtbaar worden.
Opvallend is hoe sterk de familie verankerd was langs de as van Eeklo, Raverschoot, Adegem, Oostveld en Lembeke. Namen als het Wyngaertstick, Volckaertsbilck, Hemerijck, de Houwe, de Notelaere en Boombusch maken deze bron bijzonder waardevol voor een topografische reconstructie van het bezit van de familie.
Bovendien laat deze akte duidelijk zien hoe de moederlijke familie De Munck een aanzienlijk economisch gewicht binnen het dossier vertegenwoordigt. De vermelding van gedeelde rechten met de wezen van Clement De Pau, samen met de uitleg over de renten die werden toegevoegd omdat de moeder bij haar huwelijk minder ontvangen had dan haar zusters, biedt een zeldzaam inzicht in de onderlinge familieverhoudingen en de correcties die binnen een erfregeling konden worden aangebracht.
Opmerking
Bijzonder interessant is hier de combinatie van goederen die uit het oude bezit van de familie Van Landschoot stammen, zoals de verbrande hofstede van Laureijns Van Landschoot te Raverschoot, met het omvangrijke netwerk van moederlijke goederen uit de familie De Munck. Daardoor vormt deze akte een belangrijke schakel tussen beide families.
Scan
Bron: SAE, Staet van Goed, reeks 1010, folio 890, 4 oktober 1607.
English
Español
Français