Laurens van Landschoot
Staat van Hanskin, Corckin, Liefkin, Jannekin en Grietkin, de vijf kinderen van Laurens van Landschoot en Maeijken, dochter van Cornelius van Schoonacker, met voogden Pieter Blondeel en Laurens Dobbelaere — Eeklo, 31 januari 1573.
Dossier Laurens van Landschoot
Deze akte betreft de vijf kinderen van Laurens van Landschoot, namelijk Hanskin, Corckin, Liefkin, Jannekin en Grietkin, die hij had bij Maeijken, dochter van Cornelius van Schoonacker. Hun voogden, Pieter Blondeel en Laurens Dobbelaere, brengen de staat van hun goederen over na het overlijden van hun vader. De bron geeft een uitzonderlijk rijke inkijk in een verspreid bezit van hofstede, akkerland en meersgronden in en rond Eeklo.
Belangrijke akte voor familie, bezit en aanverwantschap
Deze bron is bijzonder waardevol omdat zij niet alleen de namen van de vijf kinderen en hun voogden bevestigt, maar ook uitdrukkelijk de moederlijke lijn vermeldt via Maeijken, dochter van Cornelius van Schoonacker. Daarmee vormt deze akte een duidelijke schakel tussen de families Van Landschoot en Van Schoonacker, terwijl tegelijk een reeks concrete goederen wordt opgesomd langs de Gentsche Lieve, de Blackstrate en andere lokale percelen.
Op eenendertig januari vijftienhonderd drieënzeventig wordt de staat van goed overgebracht van Hanskin, Corckin, Liefkin, Jannekin en Grietkin, de vijf kinderen van Laurens van Landschoot. De voogden zijn Pieter Blondeel en Laurens Dobbelaere. Zij laten registreren wat deze kinderen is toegekomen en gesuccedeerd bij het overlijden van hun vader.
Eerst wordt vermeld dat de kinderen gerechtigd zijn in vijf zestienden van een behuisde hofstede, die in haar geheel ongeveer vierhonderd roeden groot is. Daarbij hoort ook nog een deel in de huizen die op dezelfde hofstede staan. Dit goed had hun vader Laurens van Landschoot verkregen bij koop tegenover Jan van Sluis. De ligging wordt nauwkeurig aangegeven: ten zuiden de erven van Jacques Blondeel, en met de westzijde uitkomend op de Gentsche Lieve.
Vervolgens somt de akte een reeks afzonderlijke percelen op. Zo bezitten de kinderen de helftschede van vier gemeten land, gelegen aan de voortzijde van de Blackstrate. Daarna volgt nog de helftschede van omtrent vier lijnen land in dezelfde straat, waar ten westen en ten noorden Jan van Hoorembeke wordt genoemd als aanpalende eigenaar.
Ook bezitten zij de helftschede van een gemet vijftig roeden land, genaamd ’t Verheyle gat, met ten westen Francies Kervijn en ten oosten de Gentsche Lieve. Daarnaast komt nog de helft van een gemet vijftig roeden land, genaamd De Crebbe, met ten zuiden Anthoona van Deynse en ten noorden Pieter vande Bussche.
De akte vermeldt verder de helft van een gemet meersch in de Cleemputte brouck, op de plaats die men noemt Den Hooghe meersch, met ten zuiden opnieuw Pieter Blondeel. Daarenboven bezitten de kinderen nog de helft van vier lijnen land op de akker die men noemt het Couterkin, met ten westen Jacob Fraeye, en ten slotte ook de helft van twaalf roeden land, die zij gemeen hebben met Jan de Vulder en Pieter Blondeel.
Al deze partijen zijn belast met de erfelijke renten die er van oudsher op rusten. Daarbovenop wordt nog uitdrukkelijk vermeld dat de moeder van de wezen gehouden is tien schellingen groten per jaar te lossen of anders jaarlijks te betalen, zonder kost voor de voorzeide wezen. Dat maakt duidelijk dat op het bezit niet alleen oude lasten rusten, maar ook nog een bijkomende jaarlijkse verplichting.
Nadat baten en lasten zijn overwogen, wordt voor avelic en cathylick goed, boven alle commeren, de som vastgesteld van vijfenzeventig ponden groten. Deze som blijft rusten onder de weesmoeder, die haar kinderen heeft aangenomen te houden met schade en bate en daarvoor zekerheid doet volgens de wederdelen van de costumen. Daarmee toont de akte hoe het beheer van het wezenvermogen na het overlijden van de vader voorlopig bij de moeder blijft, zij het onder toezicht en volgens het gebruikelijk recht.
Historische duiding
Deze akte is bijzonder waardevol omdat zij een uitzonderlijk concreet beeld geeft van het bezit van een zestiende-eeuws gezin in de streek van Eeklo. De kinderen erven niet één enkel goed, maar een samenstel van aandelen in hofstede, akkers en meersen, verspreid over meerdere plaatsen. Zulke opsommingen maken zichtbaar hoe familievermogen in deze periode vaak versnipperd en in gedeelde rechten was opgebouwd.
Voor de familiegeschiedenis is vooral de vermelding van Maeijken als dochter van Cornelius van Schoonacker van groot belang. Deze formulering legt immers rechtstreeks een aangetrouwde band vast tussen de families Van Landschoot en Van Schoonacker. Zulke expliciete moederlijke afstammingen zijn genealogisch veel sterker dan loutere vermoedens op basis van buren, voogden of getuigen.
Ook topografisch is deze bron rijk. De verwijzingen naar de Gentsche Lieve, de Blackstrate, de Cleemputte brouck, Den Hooghe meersch en het Couterkin verankeren de familie in een zeer concreet landschap. Daarmee is deze akte niet alleen van belang voor verwantschap, maar ook voor de reconstructie van het lokale grondbezit van de familie Van Landschoot in en rond Eeklo.
Opmerking
Deze bron is bijzonder interessant voor verder onderzoek naar de relatie tussen Van Landschoot en Van Schoonacker. Omdat de moeder hier uitdrukkelijk wordt genoemd als dochter van Cornelius van Schoonacker, kan deze akte dienen als vaste genealogische schakel bij het vergelijken van andere voogdijakten, staten van goed en grondtransacties waarin leden van beide families samen optreden.
Scan
Bron: SAE, Staet van Goed, request 1010, folio 475, 31 januari 1573.
English
Español
Français