Van Landschoot

800 jaar familiegeschiedenis

Philips de Zwaef

Staat van Pierken, Betken, Jaquemijnken en Maeiken, de vier minderjarige kinderen van Philips de Zwaef en Maeiken, dochter van Cornelis van Loo, met voogden Lambrecht de Zwaef en Gheleyn de Coortbitere — Eeklo, 19 februari 1620.

📍 Eeklo 📜 Staat van Goed 🗓️ 19 februari 1620 ⚖️ Voogdij 👤 Philips de Zwaef 👤 Maeiken f. Cornelis van Loo 👤 Lambrecht de Zwaef 👤 Gheleyn de Coortbitere 🌾 Balgerhoucke 💰 700 gulden

Dossier Philips de Zwaef

Deze akte betreft de vier minderjarige kinderen van Philips de Zwaef, namelijk Pierken, Betken, Jaquemijnken en Maeiken, die hij had bij Maeiken, dochter van Cornelis van Loo. Hun wettelijke voogden zijn Lambrecht de Zwaef en Gheleyn de Coortbitere. De bron is uitzonderlijk rijk, omdat zij niet alleen een zeer omvangrijke opsomming geeft van gronden, meersen, bossen, hofsteden en renten, maar ook een duidelijke regeling bevat van het aandeel dat de kinderen uit het sterfhuis ontvangen.

Uitzonderlijk rijke boedelstaat

Deze bron behoort tot de meest uitgebreide staten van goed uit de streek. Zij onderscheidt nauwkeurig tussen het geërfde bezit uit de familie van de overledene en het geconquesteerde erfve dat tijdens het huwelijk werd verworven. Bovendien wordt op het einde een kernachtige regeling opgenomen waarbij de moeder belooft aan de wezen samen zevenhonderd gulden te betalen, naast onderhoud, opvoeding en schoolgang.

Op negentien februari zestienhonderd twintig brengen Lambrecht de Zwaef en Gheleyn de Coortbitere, als wettelijke voogden van Pierken, Betken, Jaquemijnken en Maeiken, voor burgemeester en schepenen van Eeklo de staat over van al het goed dat deze kinderen is toegekomen bij het overlijden van hun vader Philips de Zwaef.

Het eerste en omvangrijkste deel van de akte betreft het erfve, dus de goederen die van de zijde van de overledene gekomen zijn. Daarin staat voorop een behuysde hofstede te Balgheroucke, groot in het geheel acht gemeten en vierenzestig roeden, gelegen met haar zuideinde aan de Balgheroecxsche strate. De aanpalingen worden nauwkeurig beschreven, met onder meer Lambrecht de Zwaef aan de oostzijde en de erfgenamen van Paesschier Claeijssens aan de westzijde.

Vervolgens komt een hele reeks percelen aan bod: vijf gemeten en een lijn genaamd ter Handt, vier lijnen meersch genaamd de Burkelmersch, een lijn en vijftig roeden meersch genaamd den Morker, een lijn meersch genaamd den Pouwericx moerwee, een gemet en vijfentwintig roeden land genaamd de Oostmoerwee, twee lijnen min acht roeden meersch in de Balgheroecksche meersshen, twee lijnen land genaamd den Hassebilck, en ook een vervallen hofstede van twee gemeten en één lijn.

Verder strekt het bezit zich uit tot het ambacht van Maldeghem en zelfs tot de prochie van Ursel. Zo wordt een partij bos genoemd in de Cleempitte brouck, gemeen met Lambrecht de Zwaef, de erfgenamen van Bertolomeeus Lambrecht, de erfgenamen van Lieven de Zwaef en de kinderen van de weduwe van Lanschoot.

Ook in Ursel ligt nog een gemeen bos met Lambrecht de Zwaef en de erfgenamen van de weduwe van Lanschoot. Reeds deze vermeldingen tonen hoe sterk de families De Zwaef en Van Landschoot in hetzelfde goederencomplex verstrengeld waren.

Daarnaast worden nog andere partijen opgesomd, zoals de Doorenkens, meerdere percelen in en rond Balgheroucke, het stuk Boukens bilck, verschillende gronden die door koop zijn verkregen van onder meer Pieter Putoor, Adriaen Matthijs, Michiel Valcke, Fransoijs de Beer en Betken van Praet, alsook kleinere bospercelen bij St. Barberen dreve, Beukensstede en Praetseecken. Ook een hofstedeken van omtrent honderd roeden binnen Eeklo wordt vermeld, waarin Lambrecht de Zwaef mede gerechtigd is.

Bij het geconquesteerde of tijdens het huwelijk verworven goed valt op hoe uitdrukkelijk de akte de aankopen koppelt aan het huwelijk van Philips de Zwaef met Maeiken, dochter van Cornelis van Loo. Het gaat dus niet enkel om oud familiebezit, maar ook om een indrukwekkend patrimonium dat het echtpaar samen wist op te bouwen. Daartoe behoort tevens een jaarlijkse rente van tien schellingen groten, bezet op gronden in het ambacht van Maldegem.

Aan het einde behandelt de akte het havelick en caltheilick goed, dus de roerende have en de schulden van bate. Daaruit blijkt dat de langstlevende ouderige, na aftrek van alle commeren, aan de voornoemde wezen belooft te betalen de som van zevenhonderd gulden. Elk kind zal zijn of haar deel daarvan ontvangen wanneer het in een geestelijke, wereldlijke of huwelijkse staat treedt. Tot zolang belooft de moeder hen naar staat te onderhouden in eten, drinken, lijnwaad, wol en schoolgang, en hen bovendien te ontlasten van kosten zoals bruiloften en kinderheffen. Haar tegenwoordige man Adriaen stemt met deze regeling uitdrukkelijk in, conform de costuimen van Eeklo.

Kern van de akte
Lambrecht de Swaef ende Gheleyn de Coortbitere, wettelijke voogden van Pierken, Betken, Jaquemijnken en Maeiken, de vier onbejaerde kinderen van Phillips de Zwaef en Maeijken filia Cornelis van Loo, brengen over het goed dat deze kinderen is toegekomen bij het overlijden van hun vader. De akte onderscheidt eerst het erfve van de zijde van de overledene, met een zeer groot bezit te Balgheroucke, Maldeghem, Ursel en Eeklo, waaronder hofsteden, meersen, bossen en renten. Daarna volgt het geconquesteerde erfve, gekocht en verkregen door Phillips de Zwaef tijdens zijn huwelijk met Maeiken van Loo. Ten slotte wordt bepaald dat de ouderige, boven alle commeren, aan de wezen belooft te betalen de som van zevenhonderd gulden, elk wees zijn deel te ontvangen bij het intreden in geestelijke, wereldlijke of huwelijkse staat, met verplichting tot onderhoud, schoolgang en ontlasting van alle lasten van het sterfhuis.

Historische duiding

Deze akte is van uitzonderlijk belang voor de lokale geschiedenis van Balgerhoucke en omgeving. Zij documenteert op een haast topografische manier hoe één familie over een uitgebreid netwerk van gronden, meersen en bossen beschikte, met duidelijke aanpalingen en verwijzingen naar naburige families. Zulke akten laten toe het landschap bijna perceel per perceel te reconstrueren.

Voor de familiegeschiedenis is vooral de herhaalde vermelding van Lambrecht de Zwaef, de erfgenamen van de weduwe van Lanschoot, en andere verwante of nabije families van belang. Zij toont hoe de eigendommen van De Zwaef, Van Landschoot, Van Praet, Bolle en andere families in deze streek vaak in gemeen bezit, aanpalende ligging of gedeelde rentelasten met elkaar verbonden waren.

Bijzonder sterk is ook de slotregeling van de zevenhonderd gulden. Die maakt duidelijk dat de moeder en haar nieuwe man het sterfhuis verder beheren, maar tegelijk een harde financiële verplichting opnemen tegenover de kinderen. De akte is daardoor niet alleen een inventaris van bezit, maar ook een concreet contract van onderhoud, opvoeding en toekomstige uitbetaling.

Verbinding met de familie Van Landschoot

In deze akte duikt de naam Van Landschoot op in de beschrijving van gemeenschappelijke eigendommen, met name in de Cleempitte brouck en in de prochie van Ursel.

De vermelding van “de kinderen van de weduwe van Lanschoot” wijst erop dat deze familie rechtstreeks betrokken was bij dezelfde percelen, vaak in onverdeeld of gemeenschappelijk bezit met de familie De Zwaef.

Dit bevestigt opnieuw hoe sterk de netwerken van grondbezit in Balgerhoucke en omgeving verweven waren, en hoe de familie Van Landschoot daarin een blijvende rol speelde, zelfs wanneer zij niet als hoofdpartij in de akte optreden.

Opmerking

De vermelding van de kinderen van de weduwe van Lanschoot in de gemeenschappelijke bospercelen van de Cleempitte brouck en te Ursel is bijzonder interessant. Zij wijst erop dat de familie Van Landschoot ook in dit goederencomplex rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken was, wat deze akte relevant maakt voor verder genealogisch onderzoek.

Bron: staat van goed opgemaakt voor burgemeester en schepenen van Eeklo, 19 februari 1620, betreffende de vier minderjarige kinderen van Philips de Zwaef.