Valère kwam ter wereld, na een zwangerschap van 7 maanden. Hij was zo klein dat hij in een klomp kon. Hij werd goed warm gehouden onder de Leuvense stoof ("buizenstoof") en overleefde de moeilijke kindertijd.

Valeer kreeg als kind de "beenderziekte" (osteomyelitis ?). Hij werd door zijn speelkameraadjes "pootje gelapt" aan het standbeeld op de markt te Maldegem, en bleef nadien met een pijnlijke voet rondlopen. Aanvankelijk kreeg hij het advies van Dr. Coelis om zijn voet te weken in "tarwegruis", wat geen verbetering bracht. Tante Emma uit Gent raadde moeder Martha aan om Dr. Van Aelst uit Gent te contacteren. Na radiografiefoto's , waar een stukje 'zwart been" op te zien was werd Valeer aangeraden om niet meer op zijn voet te steunen. Gedurende twee jaar verplaatste Valère zich met de knie op een stoel (op zijn borst kreeg hij zo een "weer" van het drukken van de leuning daartegen) , of voerden zijn broers hem met de" rolwagen" overal naartoe. Zo werd hij met de kar meegevoerd naar het veld, om aan de zijkant te zitten spelen, terwijl de oogst werd binnengehaald. Van school kwam die periode niet veel in huis (Valère zat toen in het tweede leerjaar). Ook werd hem aangeraden levertraan te gebruiken. Niet zelden verstopte hij de medicatie in de zak van zijn ondervest, want pillen slikken vond Valère niet leuk. Na twee jaar was zijn beentje zo dun geworden, maar het bot was genezen, en Valère leerde terug stappen. Nadien is hij toch uitgegroeid tot een flink uit de kluiten gewassen kerel.

Op de boerderij ging het er heel gemoedelijk aan toe. Op een keer was de sok van Valeer door een rat meegenomen om er een nest mee te maken, maar het gaatje waar de sok doormoest was te klein, zodat de sok bleef steken, en de rat haar schuilplaats verraadde. Valère sliep samen met broer Antoon in bed, dikwijls was er ook wel eens kussengevecht.

Moeder Martha vertelde dat ze op de boerderij de boter en de karnemelk verzorgde, om die te verkopen. Op een keer was Valère letterlijk met zijn "gat in de boter gevallen", vandaar dat hij later ook uitgroeide toe een "boom" van een vent, met een gewicht van meer dan 100 kg.

Valère werd gedurende de tweede wereldoorlog opgeëist door de Duitsers.Hij werd verplicht tewerkgesteld in Duitsland. Hij vertrok in 1943.("daar heeft vader zijn ziekte aan overgehouden"was de redenering van de moeder van Valère), en kwam terug op 6 mei 1945.Hij verbleef in Jenssen über Elze, tussen Hannover en Brunswijk om er te werken op de boerderij van Werner Butnagel die zelf twee zonen had die meevochten met het Duitse leger van Adolf Hitler. De oudste zoon werd krijgsgevangen genomen, en kwam twee jaar na de oorlog terug vrij. De jongste zoon Werner overleefde een Fosforbom, hij was uiterlijk fel verbrand, met veel littekens, het bovenste deel van zijn polshorloge was door de ontploffing weggeblazen. Bij het einde van de oorlog kwam Valère terug vrij : hij stond vijf dagen recht op de trein om huiswaarts te keren, en dan stapte hij nog eens vijf dagen te voet door België, aangezien de oorlog in de Ardennen nog niet was afgelopen ("één ding gaat niet : barrevoets op kasseien stappen, wel in het zand"). Valère was bij zijn thuiskomst fel vermagerd, maar heeft nadien zijn schade terug ingehaald. Van de hem beloofde vergoeding als verplicht tewerkgestelde tijdens de oorlog is er nooit iets in huis gekomen.


Valère maakte tijdens zijn jeugd veel vrienden en veel plezier op de kermis. Zo werd er eens op een nacht in zijn stamcafé Laureyns in Donk gevangen spreeuwen gebakken, dit evenwel met ingewanden en pluimen en al.

Toen Valère naar Vossenhol kermis trok en er platte band kreeg ontmoette hij Anna Van Landschoot uit de Barbaraweg te Maldegem. , die toevallig langskwam en graag een babbeltje maakte.
Valeer huwde op 5-7-1952 met Anna Van Landschoot (die geen familie was.) Hij bleef aanvankelijk wonen in de Butswervestraat nr.18, om er samen met zijn broer Willy, die korte tijd later trouwde, de ouderlijke boerderij verder uit te baten. Na enige tijd huurde hij zelf een boerderij in de Butswervestraat nr. 24.

Hij bleef er niet van onheil gespaard: er brak brand uit op de boerderij op de maandag van Maldegem Kermis (1967): de schuur, de stallingen gingen in de vlammen op, de tractor werd vernield, de dieren konden worden gered, evenals de woonst. Er brak ook Brucellose uit onder de koeien zodat de veestapel moest vernietigd worden.Dit gebeurde een paar jaar voor Valère met pensioen ging, dus ongeveer in de jaren '80.Vanaf 1983 gingen Valère en Anna wonen in de Westeindestraat te Maldegem, om er te genieten van een welverdiende rust.
bron :Martina Van Landschoot