I. Ontstaan
Thor en Wodan zwaaiden machtig lang hun scepter over het heidens Vlaanderen. Eindelijk mocht er de vreevane van de Heiland wapperen. Gelijk het overal elders ging, werden de steden hier ook eerst bekeerd, terwijl de land- en bosbewoners het langer uithielden in de strijd tussen waarheid en wangeloof. Denk nochtans niet dat de missionarissen die ons land bekeerden, zich tevreden hielden, buiten de allereersten misschien, te prediken waar het paste. Neen: zij verstonden dat het volk stilletjes aan moet gewonnen worden, dat ze temidden de stammen moesten wonen, hun oude gebruiken eerbiedigen en op christelijker wijze herscheppen en benuttigen, en het volk — voorzichtig, maar aanhoudend — met vele middelen moesten beschaven.
Daarom zochten zij een vaste standplaats in Vlaanderen: hier of daar een klooster of een abdij, het land beploegen, de bossen tot vruchtbare akkers herscheppen, en in alle omstandigheden steun en hulp bieden aan de ongelukkige lieden die in onze streken woonden. Zoals de abdij van Duinen, Ingelmunster en andere, zo kregen deze instellingen een rol die tegelijk geestelijk én stoffelijk was, en die in Vlaanderen de ontwikkeling der beschaving in gang zette. Bergen heide en ruigte werden langzaam omgezet in akkers, en de ruwe zeden der bewoners werden verzacht.
Ook de graven van Vlaanderen wisten de invloed der abdijen naar waarde te schatten. Voorrechten werden geschonken, milde giften gedaan, en uitgestrekte gronden ter beploeging aangeboden. De eerbied voor godsdienst en kerk speelde mee, maar evenzeer begreep men dat heide die ontgonnen werd ook economisch winst bracht. Edele en vrome personen volgden dit voorbeeld: het was een tijd van vast geloof, van kruisvaarten, en van aalmoezen en schenkingen “tot zaligheid der ziel”.
Zo verwierven abdijen verspreide goederen: nabij hun kloosters én in verre streken, soms moeilijk bereikbaar. Om kerk en klooster te bouwen, om aalmoezen te geven aan reizigers en armen, moest men ook opbrengst halen uit die gronden. Daarom richtte men in afgelegen bezit soms een proosdij op, soms een grote boerderij als modelhoeve, bestuurd door kloosterbroeders. Zo kwam het Munkegoed tot stand — in de volksmond: de Munken en de Munkebossen.
II. Landgoed der Munken van den Duinen (Lanscote)
Ten noordwesten van Wingene, aan de palen van Ruddervoorde, verhief zich in de jaren 1200 een “manoir”, een heerlijk verblijf en landgoed dat toebehoorde aan de edele vrouwe Maria, erfgename van Lanscote. Zij was gehuwd met jonker Jan van Hertsberge en had bij hem verschillende kinderen.
Godvruchtig en menslievend — en wetende dat haar kinderen niet alleen van haar andere goederen, maar ook van hun vader meer dan genoeg zouden erven — schonk zij op 4 juni 1274 bij testament, tot lavenis van haar ziel, haar eigendommen op de parochies Wingene en Ruddervoorde: 41 bunders woestijnland, met het mansum, de reeds beploegde landen en de hofhuizen, aan de monniken van de abdij van O.L.Vrouw ter Duinen. Aan die schenking koppelde zij één blijvende last: dat de monniken “ten eeuwigen dage” vier arme manspersonen — vooral reizigers — gastvrij moesten laten overnachten en zich versterken.
De gift werd volgens gebruik en wet overgeleverd in handen van broeder Hendrik van Vlisseghem, monnik van Ter Duinen, handelend in naam van abt Thomas van Gent. De vergunningsbrief werd opgesteld in aanwezigheid van Jan van Hertsberge, Margriete zijn tweede vrouw, Gillis van Hertsberge en Wouter, gezegd Rueloke, voogden van de kinderen uit Jans eerste huwelijk. De charter, geschreven op perkament en voorzien van vier zegels, berust(te) in de archieven van Ter Duinen, nu het Groot Seminarie te Brugge.
Uitbreidingen en bijkomende giften (1274–1373)
Nauwelijks was dit afgehandeld of Jan van Hertsberge besloot het voorbeeld van zijn eerste vrouw te volgen. In augustus 1274 kochten Jan van Hertsberge en zijn tweede vrouw Margriete aan Sibelia, weduwe van ridder Rodolf van Wingene en inmiddels echtgenote van Allaert van Walle, nog 45½ bunders land op Wingene en Ruddervoorde. Deze gronden maakten deel uit van een woestenij genaamd Deuret, tussen Lo en Rijsberghe. Jan schonk die gronden als zuivere aalmoes aan het klooster van de Duinen en verzocht gravin Margareta van Vlaanderen om goedkeuring. Die werd verleend op voorwaarde dat de abdij jaarlijks en eeuwig, voor elke bunder, 6 deniers (Vlaamse munte) aan de graaf zou betalen, “volgens de brieve van Woestine”. Zo werd het bezit van de Duinenabdij in Wingene en Ruddervoorde in één beweging verdubbeld.
Daarna bleef de abdij aangroeien: door giften en door aankopen. In mei 1295 kwamen er nog 2 bunders en 6 bij. Op 3 december 1360 schonk Oddot Latchet, watergraaf van Vlaanderen, namens Lodewijk van Male, 83 bunders woestijne in Ruddervoorde, dicht bij het landgoed Lanscote. Er werd opnieuw een voorwaarde gesteld: voor ieder bunder jaarlijks 12 deniers te betalen, en bij de komst van een nieuwe abt eenmaal het dubbele, plus 4 deniers aan de klerk voor het overschrijven van diens naam. De charter werd getekend te Oost-Eeklo.
In 1373 schonk Lodewijk van Male, via zijn watergraaf Jan de Jaghere, nog 33 bunders, 2 lijnen en een half woestijne. Een deel lag te Ruddervoorde, een deel te Wingene, met last jaarlijks te betalen op St.-Remigiusdag: “voor ieder bunder drie schelen en vier deniers”. Later werd het landgoed door andere aankopen en giften nog vergroot. Men kan zich voorstellen welke uitgestrekte heide en woestenij men moest ontginnen voor dit alles een vruchtbaar oord werd — dat kon slechts na jaren.
In de archieven van Ter Duinen vindt men niet alleen charters, maar ook handboeken van broeders die op de boerderij verbleven, en kaarten van het uitgestrekte domein dat bijna 533 gemeten besloeg.
Percelenlijst “Mynckebosch” (kaart/opsomming)
Dit is de klassieke opsomming “d’ hofstede ghenaemt het MYNCKEBOSCH” (Wingene/Ruddervoorde), zoals die in oudere pagina’s apart stond. Ik bewaar ze hier als naslag, zonder de leeslijn van het verhaal te breken.
Toon / verberg percelenlijst (N° 1–35)
Kaart-link: het MYNCKEBOSCH (kaart)
Handboeken en oorlogsjaren (1648–1735)
In de archieven van de Duinheren vindt men, behalve charters, de handboeken van broeders die beurtelings op de boerderij verbleven of het bestuur van de hoeve droegen. Een register draagt als titel: Rekenynghe van ontfanck vande goederen ’s cloosters van Duynen inde prochien van Wynghene en Ruddervoorde… (A° 1648), getekend door Bernardus abt van Duynen, Carolus de Visch prior, Mathias Van Kerkhove, Jacobus van der Raele, en fr. Chrysostomus Crepel. Dit register eindigt in 1689.
Zou men daaruit mogen besluiten dat de Duinheren het landgoed omstreeks die tijd moesten verlaten? Dat is niet onmogelijk. De laatste jaren van de zeventiende eeuw vielen samen met oorlog en plundering in onze streken. In het cohier oncosten van Wingene (1691) leest men hoe een Spaans detachement, onder Petro Fernande, op de Munken logeerde en verbruikte: “100 eecken hout”, “125 bonden stros”, “een halve tonne goet bier” en meer, met een aangerekende som van 1 p. 14 sch. 3 gr. In 1692 vermeldt een gelijkaardig stuk een Franse partij van 200 mannen die hout verbrandde, stro vernielde en op 31 januari 1692 consumeerde, met een som van 1 p. 15 sch. 4 gr.
Na de Vrede van Ryswyk (20 september 1697) keerde de rust terug. Of en wanneer de broeders naar de Munken terugkeerden blijft onduidelijk, maar een volgend register begint pas in 1707 en loopt tot 1724. Een derde handboek draagt als titel: Handboeck van het Munckebosch… door broeder Martinus Schelfhout, convers van Ter Duinen, beginnende 17 juni 1735. Verder zijn er kaarten van de uitgestrekte eigendom: de hofstede bedroeg bijna 533 gemeten.
IV. Kasteel en ligging
Wat de gebouwen betreft, mag men aannemen dat deze op het grondgebied van Wingene stonden.
Maar was het op dezelfde plaats waar men nu het kasteel aantreft? Waarschijnlijk niet.
In de opsomming van de landen verschijnt immers een stuk dat “’t OUDE Muynckenhof” heet.
Dat wijst erop dat de eerste gebouwen elders stonden dan de latere site.
Bovendien moeten de eerste giften van Jan van Hertsberge noordwestelijker gelegen hebben, meer richting Ruddervoorde.
Voor een cartografische situering, zie de kaart van het Munkengoed.
🗺️ Bekijk kaart Munkengoed.
De overlevering houdt het erop dat de monniken hun eerste verblijf zo dicht mogelijk bij de grote baan Brugge–Kortrijk inrichtten, en later in het midden van hun domeinen kasteel en boerderij bouwden, die men tot ruim 150 jaar geleden nog kon zien. Gewoonlijk waren het lekebroeders die het bestuur droegen, al was er ook een monnik — bij het volk “munkepape” — die als missiepater aan de inrichting verbonden was.
De religieuzen leefden in goede betrekkingen met Wingene: men vindt hen als getuigen bij huwelijken en bij dopen, en begraafregisters vermelden personen die “in Silva de Muncken” woonden.
De charters van 1274 (vertalingen)
Vertaling van een charter uit het Latijn (zoals overgeleverd in de tekst van Guido Lams).
Aan allen die deze tegenwoordige brieven zullen zien, Johannes van Hertsberge en Margaretha (van Lanscote), zijne vrouwe, Egidius van Hertsberge en Walter, gezeid Rueloke, voogden van de kinderen van Joannes en Maria, zijn vrouw zaliger, doen groet.
Omdat de godvruchtige wil van de afgestorvene op alle manieren vervuld moet worden, en daar Maria — zaliger gedachtenisse — om hare zielzaligheid 41 bunders woestijnland, gelegen tussen Ruddervoorde en Wingene, met het mansum en de huizingen daarop staande, weggegeven heeft en de uitvoering aan de trouw van haar man heeft toevertrouwd, willen wij die wil volbrengen. Wij hebben die 41 bunders gegeven aan de eerwaarde abt en het klooster van O.L.V. Ter Duinen, als aalmoes, in volle recht, voor eeuwig en vrij, op deze voorwaarde: dat daar ten eeuwigen dage aan vier arme mannen die gastvrijheid vragen, uit Christus liefde, gastvrijheid gegeven wordt.
Wij hebben de 41 bunders met de huizen daarop, volgens wet en gebruik, overgegeven in handen van broeder Hendrik van Vlisseghem, monnik van Duinen, met al het recht dat aan ons en aan de kinderen van Joannes toebehoorde, behoort of ooit kan toebehoren. Wij stellen hem in open bezit en beloven dat noch wij, noch iemand anders, met list of bedrog tegen deze gift zal handelen. Tot getuigenis hebben wij deze brieven bezegeld en overgeleverd.
En omdat ik, Margaretha voorzeid, geen eigen zegel bezit, heb ik deze brieven bezegeld met het zegel van Nikolaus, zoon van Marijn, mijnen lieven broeder. Gegeven in het jaar des Heren 1274, in de maand juni (met vier goed bewaarde zegels). Op de rugzijde: DE LANSCOTE — DE XTI BONARIIS WASTJNAE ET TERRAE APUD LANSCOTE.
Er bestond een tweede charter, eveneens in het Latijn, dat van de zijde van de monniken dezelfde voorwaarden bevestigde: dat men te Lanscote, indien er zoveel zijn die herbergzaamheid vragen, ten eeuwigen dage elke nacht vier arme mannen moet herbergen.
(Verwijzing in je oude tekst: akte in het Latijn met daarnaast Nederlands (Guido Lams))
Bronnen en noten (Guido Lams)
Onderstaande noten zijn overgenomen uit je materiaal en dienen als bronapparaat bij de tekst.
Toon / verberg bronnenlijst (1–18)
(1) “Manoir, manse, mansum” was een kleine bebouwde hofstede met afhankelijkheden, van omtrent 12 bunders…
(2) “Cum omnibus mansionibus sive domibus…” Cronica et Cartularium monasterii de Dunis…
(3) “…op voorwaarde dat… vier arme manspersonen… onvergeld zouden moeten geherbergd worden…”
(4) Vier zegels (Jan van Hertsberge, Gillis van Hertsberge, Walter Rueloke, en het geleende zegel voor Margareta)…
(5) Rodolf van Winghene… charter 1257…
(6) Familie Van Walle… eigendommen Oostkamp…
(7) Loo = hooggelegen bos naast moeras/water…
(8) Rijsberge…
(9) Uitleg “brieven/briefs/brevia” en cijnzen in natura…
(10) Confirmatie 1295…
(11) Anno 1360… Oddot Machet/Latchet…
(12) “Pieter Masiers brieve”… en uitleg over Curtis/steen…
(13) St.-Remigiusdag = Bamisse…
(14) Negenjarige Oorlog 1689–1697… gevolgen Wingene…
(15) Rekening 1692… proost van de Muncke…
(16) Wingene deels onder Kasselrij Kortrijk, NW-hoek onder het Vrije…
(17) Begraving 15 okt 1638… “habitans in Silva de Muncken”…
(18) Huwelijk 3 aug 1671… getuigen: twee Duinheren…