Van Landschoot

800 jaar familiegeschiedenis

Jan Landscote uit Maldegem en zijn kinderen

Van de opname als poorter van Brugge op 21 november 1392 tot de weesakte van zijn kinderen Cornelekine en Grielekine op 15 februari 1407.

📍 Maldegem en Brugge🗓️ 1392–1407📜 Poorterschap en weesakte👨‍👩‍👧‍👧 Jan Landscote × Jacquemijne🌳 Verwantschap

Deze vroege akte is genealogisch bijzonder belangrijk omdat zij een volledig kerngezin noemt: Jan Landscote, zijn echtgenote Jacquemijne en hun twee minderjarige kinderen Cornelekine en Grielekine. Na het overlijden van beide ouders werd het gezamenlijke erfdeel van de kinderen officieel geregistreerd en onder toezicht geplaatst.

Deze pagina brengt twee zeer vroege bronnen samen. In 1392 werd Jan van Lanscote uit Maldegem als poorter van Brugge ingeschreven. Vijftien jaar later worden in een weesakte de minderjarige kinderen van Jan Landscote en Jacquemijne genoemd. De overeenkomst in naam, periode en geografische context maakt een identificatie aannemelijk, maar zolang een rechtstreeks verbindende bron ontbreekt, blijft dit een waarschijnlijke werkhypothese.

Jan van Lanscote wordt poorter van Brugge — 21 november 1392

Op 21 november 1392 werd Jan van Lanscote uit Maldegem als poorter van Brugge ingeschreven. Voor deze opname betaalde hij 12 schellingen issuwe.

Het poorterschap bracht hem binnen de Brugse rechtsgemeenschap. Een poorter kon er gemakkelijker handel drijven, viel onder de stedelijke rechtspraak en genoot de rechten en bescherming die aan het Brugse burgerschap verbonden waren.

Het woord issuwe duidt hier op het bedrag dat bij de opname als poorter verschuldigd was. De vermelding van Maldegem is genealogisch belangrijk, omdat zij een vroege beweging van een Van Lanscote vanuit het Meetjesland naar Brugge zichtbaar maakt.

Inschrijving van Jan van Lanxscote uit Maldegem als poorter van Brugge op 21 november 1392
Inschrijving van Jan van Lanxscote uit Maldegem als poorter van Brugge, 21 november 1392.
Naamvorm en identificatie: de poorterinschrijving vermeldt volgens de transcriptie Jan van Lanscote. De weesakte uit 1407 noemt Jan Landscote. Het kan om dezelfde persoon gaan, maar de twee vermeldingen zijn nog niet rechtstreeks door één akte met elkaar verbonden.
Oorspronkelijke oude tekst
Transcriptie
Den xvsten dach van sporcle anno ad cccc ende zeven Phelips David/ ende Jan Pacelin/ voochden van Cornelekine ende Grielekine Jan Landscote kinderen die hij hadde bij Jacquemijne/ zijnen wive, brochten ten papiere voor den heere Everaerde Ruusch, overziener, ende heere/ Jan de Hond scepen van weesen, de grootte van der voorseijde kindre goede hemlieden/ verstorven van vader ende moeder ende es xxxii ponden grooten de welke penninghen/ mitgaders/ ii ponden grooten, dat een van der kindere vrienden dertoe ghedaen heeft, makende xxxiiii ponden/ grooten/ Gheeraerd de Coc, ende Margriete zijn wijf, ghewet hebben te betaelene ten vermane/ van den voorseijde voochden ende voort de houdenesse van den voorseijden kinderen. Boorghen/ Jan van/ der Polave, ende Aernoud Hond, elc voor al. Also de brief die daerof es gheschreven den/ xvsten dach van Laumaend anno vii. Verclaerst, scab(inali) sigilla Coysin Backer./ Onderteekent ten overbringhene, Maergrieten Scox voorseijd ende Lijsbetten Landscote.
Weesakte van Cornelekine en Grielekine, kinderen van Jan Landscote en Jacquemijne, 1407
Weesakte van Cornelekine en Grielekine Landscote, gedateerd 15 februari 1407.
SAB - Weesakten Sint-Niklaas boek 2 1398-1463 > folio 179 - 1407
Hertaling in modern Nederlands

Op 15 februari 1407 verschenen Phelips David en Jan Pacelin, voogden van Cornelekine en Grielekine, de kinderen die Jan Landscote had bij zijn echtgenote Jacquemijne.

Zij brachten voor Everaerde Ruusch, overziener, en Jan de Hond, schepen van wezen, een officiële opgave binnen van de waarde van de goederen die de kinderen door het overlijden van hun vader en moeder hadden geërfd.

Het oorspronkelijke erfdeel bedroeg 32 pond groten. Een vriend of verwant van de kinderen had daar nog 2 pond groten aan toegevoegd, zodat het gezamenlijke vermogen van de twee wezen uitkwam op 34 pond groten.

Gheeraerd de Coc en zijn echtgenote Margriete hadden zich ertoe verbonden dit bedrag te betalen wanneer de voogden hen daartoe aanmaanden. Zij stonden tevens in voor de verzorging en het levensonderhoud van de kinderen.

Als borgen traden Jan van der Polave en Aernoud Hond op. Ieder van hen was voor het volledige bedrag aansprakelijk. Deze regeling was eerder vastgelegd in een brief van 15 januari 1407, bezegeld door de bevoegde schepenen en verbonden met de naam van Coysin Backer.

In het slot worden nog Margriete Scox en Lijsbette Landscote genoemd. Door het abrupte einde van de tekst blijft hun precieze rol onzeker.

Uitleg van het erfdeel

Het bedrag van 34 pond groten behoorde gezamenlijk aan Cornelekine en Grielekine. De akte vermeldt niet uitdrukkelijk welk aandeel ieder kind afzonderlijk ontving. Bij een gelijke verdeling zou ieder kind recht hebben gehad op 17 pond groten, maar dit is een berekende mogelijkheid en geen letterlijk vermelde verdeling.

De twee extra ponden waren toegevoegd door “een van der kindere vrienden”. Het woord vriend betekende in middeleeuwse juridische teksten vaak een bloedverwant, aangetrouwde verwant of andere naaste vertrouwenspersoon. Het ging dus waarschijnlijk om iemand uit de bredere familiekring.

De verzorging van de kinderen

Gheeraerd de Coc en Margriete namen niet alleen een financiële verplichting op zich. Zij stonden ook in voor de houdenesse van Cornelekine en Grielekine. Dit begrip omvatte doorgaans kost, huisvesting, kleding en dagelijkse verzorging. Mogelijk verbleven de kinderen bij dit echtpaar, al wordt dit niet letterlijk gezegd.

Het is mogelijk dat Gheeraerd en Margriete goederen uit het ouderlijke sterfhuis hadden overgenomen en daarvoor een vaste geldsom aan de kinderen verschuldigd waren. De akte zegt echter niet hoe de schuld precies was ontstaan.

Voogden, toezicht en borgen

Phelips David en Jan Pacelin traden op als wettelijke voogden. Zij moesten het vermogen van de minderjarigen beschermen en erop toezien dat de toegezegde 34 pond daadwerkelijk werd betaald.

Everaerde Ruusch hield als overziener toezicht op de procedure. Jan de Hond trad op als schepen van wezen. De aanwezigheid van deze functionarissen toont dat de nalatenschap niet louter binnen de familie werd geregeld, maar officieel onder toezicht van de bevoegde weesinstelling stond.

Jan van der Polave en Aernoud Hond verbonden zich “elk voor al”. Dat betekent dat zij hoofdelijk borg stonden. Wanneer de hoofdschuldenaars hun verplichting niet nakwamen, kon elk van de borgen afzonderlijk voor het volledige bedrag worden aangesproken.

Verklaring van oude en juridische termen
  • Sporcle: sprokkelmaand, de oude benaming voor februari.
  • Laumaend: louwmaand, de oude benaming voor januari.
  • Ten papiere brengen: de goederen en rechten van de wezen officieel laten registreren.
  • Verstorven: door overlijden als erfenis toegevallen.
  • Overziener: toezichthouder op het beheer van de goederen van minderjarigen.
  • Schepen van wezen: bestuurder die bevoegd was voor weeszaken en nalatenschappen van minderjarigen.
  • Ten vermane: na formele aanmaning of zodra de voogden om betaling verzochten.
  • Houdenesse: onderhoud, kost, huisvesting en dagelijkse verzorging.
  • Borghen, elk voor al: borgen die ieder afzonderlijk aansprakelijk waren voor het volledige bedrag.
  • Scabinali sigilla: Latijnse verwijzing naar de schepenzegels waaronder de brief was bekrachtigd.
Verwantschap

Mogelijke verbinding met de poorter van 1392

Jan van Lanscote uit Maldegem poorter van Brugge op 21 november 1392 │ └── mogelijk dezelfde persoon als: Jan Landscote × Jacquemijne ├── Cornelekine └── Grielekine

De identificatie past chronologisch en geografisch goed, maar de weesakte vermeldt geen herkomstplaats en verwijst niet naar het poorterschap. Daarom blijft dit voorlopig een sterke, maar nog onbewezen hypothese.

Zeker aantoonbaar kerngezin

Jan Landscote × Jacquemijne │ ├── Cornelekine Landscote │ minderjarig in 1407 │ └── Grielekine Landscote minderjarig in 1407

Voogdij, verzorging en borgstelling

Cornelekine en Grielekine Landscote │ ├── voogd: Phelips David ├── voogd: Jan Pacelin │ ├── verzorging en betalingsplicht: │ Gheeraerd de Coc × Margriete │ └── borgen: ├── Jan van der Polave └── Aernoud Hond

Mogelijke familieband van Lijsbette

Onbekende oudere generatie Landscote │ ├── mogelijk Jan Landscote │ × Jacquemijne │ ├── Cornelekine │ └── Grielekine │ └── mogelijk Lijsbette Landscote

Lijsbette droeg dezelfde familienaam en was daarom waarschijnlijk een verwante. Zij kan een zuster van Jan, een tante van de kinderen of een andere nabije verwante zijn geweest. De akte bewijst de precieze band echter niet.

Genealogische conclusies

De akte bewijst dat Jan Landscote gehuwd was met Jacquemijne en dat zij minstens twee kinderen hadden: Cornelekine en Grielekine. Beide ouders waren vóór 15 februari 1407 overleden en de kinderen waren op die datum nog minderjarig.

Phelips David en Jan Pacelin werden als voogden aangesteld. Gheeraerd de Coc en Margriete stonden in voor de betaling van het erfdeel en voor het onderhoud van de kinderen. Jan van der Polave en Aernoud Hond waarborgden de uitvoering van deze verplichtingen.

Lijsbette Landscote is genealogisch belangrijk, maar haar plaats binnen het gezin kan uit deze tekst alleen niet met zekerheid worden bepaald.

Boektekst

Op 21 november 1392 liet Jan van Lanscote uit Maldegem zich als poorter van Brugge inschrijven. Voor zijn toetreding tot de stedelijke rechtsgemeenschap betaalde hij twaalf schellingen issuwe. Deze korte registratie toont dat de naam Van Lanscote reeds aan het einde van de veertiende eeuw een concrete verbinding vormde tussen Maldegem en Brugge.

Het is verleidelijk deze poorter te vereenzelvigen met Jan Landscote, de vader die in de weesakte van 1407 wordt genoemd. De naam, de periode en de geografische samenhang passen goed bij elkaar. Toch blijft voorzichtigheid nodig: de weesakte vermeldt niet dat Jan uit Maldegem afkomstig was. Tot een aanvullende bron beide vermeldingen rechtstreeks verbindt, moet de identificatie als een waarschijnlijke werkhypothese worden beschouwd.

Op 15 februari 1407 verschenen Phelips David en Jan Pacelin voor de bevoegde weesautoriteiten. Zij traden op als voogden van Cornelekine en Grielekine, de minderjarige kinderen van Jan Landscote en zijn echtgenote Jacquemijne. Beide ouders waren inmiddels overleden, waardoor hun kinderen onder officieel toezicht waren geplaatst.

De voogden brachten voor overziener Everaerde Ruusch en schepen van wezen Jan de Hond een verklaring binnen over de omvang van het erfdeel. Cornelekine en Grielekine hadden samen 32 pond groten van hun ouders geërfd. Een familielid of andere naaste vriend voegde daar nog twee pond groten aan toe, zodat hun gezamenlijke vermogen uiteindelijk 34 pond groten bedroeg.

Voor twee minderjarige kinderen vormde dit een belangrijk kapitaal. Daarom werd niet alleen vastgelegd hoeveel zij bezaten, maar ook wie het geld moest betalen en wie voor hun dagelijkse verzorging instond. Gheeraerd de Coc en zijn echtgenote Margriete namen deze verplichtingen op zich. Zij moesten de 34 pond betalen zodra de voogden hen daartoe aanmaanden en stonden tevens in voor de “houdenesse” van de kinderen: hun kost, huisvesting en verzorging.

Om de rechten van de wezen verder te beschermen, werden Jan van der Polave en Aernoud Hond als borgen aangesteld. Zij verbonden zich ieder voor het volledige bedrag. Wanneer Gheeraerd en Margriete hun verplichtingen niet nakwamen, konden de voogden dus één van beide borgen voor de volledige schuld aanspreken.

De regeling was al op 15 januari 1407 in een afzonderlijke brief vastgelegd. Een maand later werd zij in het weesregister overgebracht en officieel onder toezicht geplaatst. Aan het slot van de akte worden nog Margriete Scox en Lijsbette Landscote genoemd. Vooral de aanwezigheid van Lijsbette is voor het familieonderzoek betekenisvol. Zij behoorde waarschijnlijk tot de bredere Landscote-familie, maar de precieze verwantschap blijft voorlopig onbekend.

Deze weesakte is een van de vroege bronnen waarin de familienaam Landscote binnen een concreet gezin voorkomt. Zij legt het huwelijk van Jan Landscote en Jacquemijne vast en noemt hun twee dochters bij naam. Tegelijk biedt zij een zeldzame blik op de bescherming van minderjarige erfgenamen in het begin van de vijftiende eeuw.

Onderzoeksnota: de precieze identiteit van Margriete Scox en de verwantschap van Lijsbette Landscote moeten met aanvullende akten worden onderzocht. Ook de lezing “ghewet hebben te betaelene” verdient controle aan de hand van het oorspronkelijke register.

Bron: weesregistratie van 15 februari 1407, gebaseerd op een eerdere brief van 15 januari 1407. De exacte archiefverwijzing kan hier later worden toegevoegd.