Van Landschoot

800 jaar familiegeschiedenis

Moord in Lovendegem, 1730

Cornelia Van Lantschoot vermoordt haar drie kinderen — een uitzonderlijk en tragisch gezinsdrama in het achttiende-eeuwse Lovendegem.

Cornelia Van Lantschoot - Lovendegem 1730 (AI illustratie)
Cornelia Van Lantschoot - Lovendegem 1730 (AI illustratie)

Kindermoord gold in de vroegmoderne tijd als een van de zwaarste misdaden denkbaar. Wanneer de dader bovendien de moeder zelf was, werd dat als nog gruwelijker ervaren. Tot diep in de achttiende eeuw volgde op zulke feiten in principe de doodstraf, tenzij er twijfel bestond over de schuld of over de geestestoestand van de moeder.

Toch tonen de bronnen dat niet elke zaak eenvoudig lag. Rechters hielden soms rekening met krankzinnigheid, wanhoop of verwarring. Dat maakt het drama van Cornelia Van Lantschoot in Lovendegem in 1730 zo bijzonder: het gaat om een drievoudige kindermoord, maar tegelijk ook om een zaak waarin de vraag naar haar geestelijke toestand centraal komt te staan.

Dinsdag 1 augustus 1730

Op een zomerse ochtend op het Eeksken in Lovendegem is het dorp al vroeg in beweging. Pieter Galens, timmerman van beroep en echtgenoot van Cornelia, is vanaf vijf uur aan het werk bij buurman Jan van Vooren. Rond zeven uur keert hij kort naar huis terug om gereedschap te halen, maar hij gaat niet binnen en laat zijn vrouw en de kinderen slapen.

Niet lang daarna komt een buurvrouw een geleend brood terugvragen. Cornelia maakt op haar een verwarde indruk. Ze herinnert zich niet goed wat er enkele dagen eerder is gebeurd en spreekt onsamenhangend. Kort daarna stuurt ze haar oudste zoontje naar zijn vader met een boodschap die weinig logisch lijkt. Ook dat wekt verwondering.

“Ick hebbe alle drye myne kinderen vermoort ... wilde commen kycken, sy ligghen in huys.”

Tegen negen uur begeeft Cornelia zich in grote verwarring naar het veld waar Pieter de Smet werkt. Daar bekent zij dat zij haar drie kinderen heeft omgebracht. Ze zegt dat ze niet meer alleen in huis durft blijven en dat ze zichzelf ook het leven had willen benemen, maar zich liever “in justitie handen” wilde geven.

Het nieuws verspreidt zich razendsnel door de buurt. Vader Pieter Galens wordt verwittigd terwijl hij nog aan het werk is. Wanneer hij thuiskomt, treft hij zijn vrouw bij de deur aan. Cornelia roept dat ze in handen van de justitie wil worden gegeven en voor haar kwaad wil sterven.

Schok in het dorp

Wat volgt, is een golf van ontzetting. Buren, omstaanders en toevallige voorbijgangers horen het gerucht en bevestigen tegenover elkaar wat er is gebeurd. Kinderen lopen door de straten met het nieuws dat de drie kinderen van Pieter Galens vermoord zijn. De chirurgijn Joris Taelman haast zich naar de woning om de feiten vast te stellen.

Uit de reacties blijkt tegelijk iets anders: verschillende mensen vinden het gedrag van Cornelia al langer vreemd. Sommigen zeggen dat zij “haar sinnen mist”, anderen wijzen op haar zwaarmoedigheid, haar religieuze scrupules en haar verwarde uitspraken in de dagen voor de feiten.

Tekenen van krankzinnigheid

In de dagen en maanden na de moord verzamelen de onderzoekers vele getuigenissen over Cornelia’s geestestoestand. Haar echtgenoot verklaart dat zij reeds jaren last had van ernstige scrupules en geestelijke onrust. Zij vreesde voortdurend voor haar zaligheid, zag imaginaire duivels en voelde zich door God verlaten.

Na eerdere bevallingen had zij gelijkaardige aanvallen gehad. Familieleden en buren herinnerden zich hoe zij wartaal uitsloeg, dagenlang in verwarring verkeerde en niet alleen durfde blijven. Ook haar moeder en buren bevestigen dat ze soms lange tijd niet normaal leek te functioneren.

Cornelia stond bekend als een buitengewoon devote vrouw, maar haar godsvrucht was volgens meerdere getuigen doorgeslagen in angst en scrupule. Vooral preken over zonde, hemel en verdoemenis maakten diepe indruk op haar. Volgens getuigen had zij het idee opgevat dat jonge kinderen veilig naar de hemel gingen, terwijl volwassenen de zaligheid konden verliezen.

Volgens haar halfbroer Judocus verklaarde zij onderweg: “door duyvelsche tentatie hebbe ick dat ghelijck moeten doen.”

Vlucht en verbanning

Nog op de dag van de feiten wordt beslist Cornelia weg te brengen, eerst richting Eeklo en vervolgens naar familie in Sint-Margriete. Dat zij aanvankelijk niet meteen door de overheid wordt opgepakt, blijft opmerkelijk. De gemeenschap lijkt vooral bekommerd om haar veiligheid en haar verwarde toestand.

Uiteindelijk wordt zij voortvluchtig verklaard. Omdat zij niet verschijnt wanneer de Oudburg haar laat dagvaarden, volgt in 1731 een vonnis van verbanning uit de landen van de vorst, samen met de verbeurdverklaring van haar goederen. De rechters merken daarbij op dat men zonder haar aanwezigheid geen definitief oordeel kan vellen, juist omdat men rekening moet houden met haar vermeende krankzinnigheid.

Tien jaar later in IJzendijke

In 1739, bijna tien jaar na de feiten, wordt Cornelia in de omgeving van IJzendijke opgespoord. Ze leefde daar onder een andere naam. Priesters en parochianen uit haar omgeving bevestigen opnieuw dat zij geen gewone vrouw was: ze had last van zware scrupules, vreemde gedragingen en momenten waarop zij duidelijk buiten haar verstand was.

Na haar arrestatie wordt Cornelia naar Brugge gevoerd en daar ondervraagd. Ze bekent uiteindelijk dat zij haar kinderen heeft gedood. Als verklaring zegt zij dat haar kinderen zo jong naar de hemel zouden gaan en niet later zouden kunnen zondigen. Het is een redenering die tegelijk afschuwelijk en tragisch is, en die helemaal past in de religieuze waanideeën die uit de getuigenissen naar voren komen.

Rechtszaak en medelijden

Tijdens de rechtszaak in 1740 worden opnieuw vele getuigen gehoord. Hun verklaringen schetsen een vrouw die haar kinderen liefhad, maar geestelijk zwaar ontregeld was. Buren, vrienden, geestelijken en gevangenen uit het Gravenkasteel beschrijven haar als scrupuleus, verward, depressief en soms volledig buiten zinnen.

Daarom groeit bij de magistraten de overtuiging dat Cornelia niet werkelijk toerekeningsvatbaar was. In rapporten wordt gesteld dat zij “absoluteluck berooft is gheweest van haer sinnen” en dus geen gewone straf verdient. Waar men in 1730 nog sprak over een afschuwelijke misdaad, overheerst tegen 1740 meer en meer het medelijden met een geesteszieke vrouw.

Nasleep

Na haar vrijlating uit de gevangenis wordt Cornelia op een veilige plaats ondergebracht. Daarna ontstaat nog een langdurige juridische discussie over wie voor haar onderhoud moet betalen: haar echtgenoot Pieter Galens, haar halfbroer Judocus Lantschoot, of de lokale overheden van Eeklo en Lovendegem.

Over haar laatste jaren is minder bekend. Wel staat vast dat Cornelia uiteindelijk naar Lovendegem terugkeerde, waar zij op 27 december 1747 overleed.

Betekenis van deze zaak
Het drama van Cornelia Van Lantschoot toont hoe in de achttiende eeuw een zware misdaad en geestesziekte met elkaar verweven konden raken. De zaak is uitzonderlijk rijk gedocumenteerd en biedt niet alleen inzicht in het gerecht, maar ook in dorpsleven, religieuze beleving en opvattingen over krankzinnigheid.

Bron: Hugo Notteboom, Gezinsdrama in Lovendegem, 1730, p. 165–186, in Appeltje 61 (2010).
Copyright Hugo Notteboom.