Van Landschoot en de molens van Brugge
Een overzicht van verdwenen Brugse molens die in de zestiende en zeventiende eeuw deel uitmaakten van het patrimonium van verschillende leden van de familie Van Landschoot en van hun nazaten, met bijzondere aandacht voor Altena, De Bock, Drakenhoofd, de Hoogmolen en Ruys in ’t Veldt.
1. Pieter Van Landschoot en een achtste deel van de molen “Altena” (1691)
In de boedelgegevens van Clara Van Tours, weduwe van Pieter Van Landschoot, wordt verklaard dat aan het sterfhuis een achtste deel toebehoorde van een schors- of windmolen genaamd “Altena”, samen met de wal waarop die molen stond.
De molen bevond zich binnen de stad Brugge op de barm van de veste, gesitueerd tussen het Groot Waterhuis van de stad Brugge en de molen genaamd “Het Groot Waterhuis”, die toen toebehoorde aan Pieter Pieters. Het geheel was belast met een cijnsrente die men aan de stad Brugge verschuldigd was.
Het aandeel was door de overleden Pieter Van Landschoot aangekocht van de weduwe van Donaes van Heester en consorten, volgens brieven van erfvenis die in oktober 1691 voor de schepenen van Brugge waren verleden.
2. Willeboort Van Landschoot en de molen “De Bock” (1580–1581)
Reeds een eeuw eerder duikt Willeboort Van Landschoot op als eigenaar van de wind-oliemolen “den Buck”, ook geschreven als De Bock. Deze molen kwam in 1580–1581 in zijn bezit via een overdracht door de wettelijke voogden van de kinderen van Jan Goossens.
De transactie ging gepaard met diverse lasten: onder meer een grondrente ten voordele van de kerk van Sint-Salvator, bijkomende jaarlijkse renten en een aanzienlijke lopende schuld. Vrijwel onmiddellijk werd de molen opnieuw als onderpand gebruikt voor leningen en verbintenissen.
Nog in november 1580 droeg Willeboort de molen weer over aan Herman Goossens. Een jaar later volgde opnieuw een overdracht, zodat De Bock in korte tijd een goed voorbeeld wordt van hoe molens binnen de Brugse economie niet alleen gebruiksgoederen waren, maar ook roerende schakels in krediet, schuld en stedelijke vermogensvorming.
Deze molen toont hoe snel een ogenschijnlijk vast goed in de praktijk een verhandelbaar en bezwaard patrimoniumstuk kon worden. Eigendom, schuld en economische noodzaak liepen er voortdurend door elkaar.
3. De vroegere Drakenhoofd-molen nabij de Dampoort
Een bijzonder rijk dossier betreft de vroegere Drakenhoofd-molen, gelegen nabij de Dampoort te Brugge. In de zestiendelen van Brugge komen vanaf 1607 meerdere transacties voor waarin Guille of Guillaume Van Landschot als mede-eigenaar optreedt.
Aanvankelijk werd een helft van de molen overgedragen aan Jan de Vleeschauwer en Guille Van Landschot, terwijl andere delen in handen bleven van families als Willaijs, Vereecke, Spranghe, Verzandt, Van Steghen en later ook andere Brugse eigenaars.
Wat uit deze reeks akten vooral blijkt, is dat de molen verdeeld was in helften, vierendelen, achtsten en zelfs complexere breuken. De molen was dus niet één ondeelbaar familiebezit, maar een patrimonium dat over verschillende erfgenamen en investeerders verspreid raakte.
Guillaume Van Landschot komt herhaaldelijk voor als partij bij aankoop, verbintenis en wederverkoop. Ook verwanten en aangetrouwde lijnen duiken op, onder meer in akten met Anna Van Landsocht, Boudewijn Van Landschoot en later verschillende derden die delen van dezelfde molen bezaten of bezwaarden.
4. Niclaeijs Planckaert × Jacquemijne Van Landschoot en de Hoogmolen (1687)
In de Rekeninghe Purgative op de staat van goed van Laureijns filius Niclaeijs Planckaert en zijn echtgenote Jacquemijnken, dochter van Cornelis Van Landtschoot, verschijnt een ander belangrijk molenbezit: de Hoogmolen.
Beiden overleden in oktober 1687, slechts enkele dagen na elkaar. In hun sterfhuis hoorde onder meer de helftschede van een molen die binnen Brugge gelegen was, achter hun huis op de barmen van de veste, tussen het Minnewater en de Smedepoort.
Deze helft werd verpacht aan Franchois Dhaene, van wie pachtgelden werden ontvangen, maar waarop tegelijk renten en lasten rustten. De documenten tonen heel concreet hoe de molen als rendabel bezit functioneerde, met opbrengsten, remissies wegens slechte staat en verschuldigde renten.
Daarnaast wordt in dezelfde rekening ook nog een andere boekweitmolen vermeld, door de overledenen gebruikt, maar nog niet met zekerheid gelokaliseerd.
Voor de Hoogmolen verwijzen de archivalia verder naar renten ten voordele van onder meer het godshuis van de Magdaleene en particuliere schuldeisers. Dat bevestigt opnieuw hoe molenbezit in Brugge tegelijk een bron van inkomen en een knooppunt van kredietverhoudingen was.
5. Boudewijn en later Pieter Van Landschoot: “Ruijs in ’t Veldt” te Sint-Andries
Een laatste belangrijke molen in dit patrimoniale netwerk is de molen “Ruijs in ’t Veldt”, gelegen buiten de stad Brugge, in de prochie van Sint-Baafs, bij het klooster van Sint-Andries.
In de staat van goed van Barbara van Cuijl, weduwe van Boudewijn van Landtschoot, wordt vermeld dat het sterfhuis mede gerechtigd was in een olie- en windmolen waarvan de wederhelft aan Jooris van Steenlant toebehoorde.
De tekst preciseert dat de overledene en haar medepartijen die molen nieuw hadden doen maken en stellen, op eigen kosten en na een voorafgaand proces met oppositie van de prelaat van Sint-Andries.
Later duikt ook hun zoon Pieter van Lantschoot op als gerechtigde helftbezitter van dezelfde molen. In zijn boedel wordt de waarde van die helft zeer nauwkeurig geschat, met aftrek van landcijns en lasten.
Zie ook: Stadsarchief — kaart Marcus Gerard 1888 Wikipedia — Sint-Andriesabdij Annales de la Société d'Emulation de Bruges - Volume 6 - Pagina 125-126 Molenecho’s.
Besluit
De verschillende Brugse molens die in de archivalia rond de familie Van Landschoot opduiken, tonen hoe belangrijk deze installaties waren binnen het stedelijk en randstedelijk patrimonium. Zij leverden inkomsten op, werden verpacht, bezwaard met renten, opgesplitst onder erfgenamen en soms opnieuw samengebracht door koop of huwelijk.
In de familiegeschiedenis van Van Landschoot vormen zij daarom niet alleen interessante topografische sporen in Brugge, maar ook tastbare getuigen van kapitaal, ambacht, krediet en erfenisvorming over meerdere generaties heen.